opgroeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·groei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opgroeien
groeide op
opgegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

opgroeien

  1. ergatief de tijd tot de volwassenheid doorbrengen
    • Hij groeide op in Scheemda. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

-

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.