ingroeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·groei·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

ingroeien [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ingroeien
groeide in
ingegroeid
zwak -d volledig
  1. door groeien naar binnen gaan
    • De beste scheerrichting is tegen de haargroei in: Feit en fabel: Hierover zijn de meningen verdeeld. Meestal is scheren met de haargroei mee beter. Met name onder de oksels en bij de bikinilijn, omdat de haartjes daar dikker zijn en er kans bestaat op ingroeien. Bij de benen is het veelal geen probleem om tegen de haargroei in te scheren, zeker als je geen gevoelige huid hebt.[2] 
  2. door groeien ergens helemaal in vast komen te zitten
    • ,,Je moet ingroeien in de samenleving. Je invechten. Dan pas bouw je rechten op. Je moet eerst laten zien of je iets te bieden hebt in plaats van meteen je hand op te houden", zegt VVD-Kamerlid Malik Azmani donderdag in een interview met dagblad Trouw.[3] 
  3. ervaring opdoen
    • 'We hebben startnummer 23, dat is ook onze positie in de wereldbekerstand. Dan weet je natuurlijk dat je niet mee gaat doen om de medailles. Dit is op dit moment onze plek, ik krijg er in de tweemansbob niet meer uit. 'De trainingen moesten we ingroeien, de baan is anders dan een jaar geleden en in november, toen we hier ook waren. Bocht 2 en 5 waren vandaag onze aandachtspunten, het ging al veel beter.'[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 12 jun. 2015
  3. de Telegraaf 29 jul. 2016
  4. Volkskrant 16 februari 2014