volgroeien

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • vol·groei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volgroeien
volgroeide
volgroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

(niet scheidbaar)
volgróeien

  1. volwassen worden, ontwikkelen, rijpen
    • Het lichaam volgroeit en wordt geslachtsrijp. 
    • Over twee jaar zijn de plantjes volgroeid. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
volgroeien
groeide vol
volgegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
vólgroeien

  1. vullen door middel van groei
    • De vijver is volgegroeid met riet en waterplanten.