groeisel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groei·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord groeisel groeisels
verkleinwoord groeiseltje groeiseltjes

Zelfstandig naamwoord

groeisel o [1]

  1. (plantkunde) organisme dat gegroeid is
    • Eerst leek het nog een gelukkige ontdekking, die ene narcis in de tuin, nu zijn we er zeker van: de lente is in aantocht. Fluitende vogeltjes, de grond die uit z'n voegen lijkt te barsten van nieuw groeisel en bloeisel, een zacht briesje. Het kan ook jullie niet ontgaan zijn! [2] 
    • Johnson – hij is zijn mes helaas vergeten – leidt de gast rond over de smalle paadjes van het Sabaanse regenwoud. Door de vele Hollandse kamerplanten die hier opeens manshoge groeisels blijken te zijn, heeft de trip een hoog Erik of het klein insectenboek [3] 
    • Levensecht zijn zijn dieren – en toch niet. Een humeurige pad is een patser. Een adder en een hagedis bedreigen elkaar als leden van concurrerende jeugdbendes. En een krekel interesseert het allemaal niet. Ook elk groeisel schildert hij zo hevig ‘echt’ dat het een wezen wordt. Ik zie een tragische cyclaam, een machteloze distel. [4] 
  • een plaatselijke uitgroei van een organisme
Synoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen