mikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mik·ken
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Middelnederlandse en Middelnederduitse werkwoord micken (turen).
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mikken
mikte
gemikt
zwak -t volledig

Werkwoord

mikken

  1. overgankelijk richten op een doel
    • Er zijn ook veel films die op een breder volwassen publiek mikken en ook door kinderen of jongeren worden bekeken en geapprecieërd, zoals bijvoorbeeld monsterfilms. 
  2. overgankelijk gericht werpen
    • Op den akker waren de arbeiders aan het poten der late aardappelen; achter iederen arbeider, die met den pootstok de gaten maakte in den omgeploegden grond, een jongen met een mandje vol poters in de linkerhand, om daaruit met de vrije rechterhand in elk kuiltje een aardappel te mikken. [1] 
Vaste voorzetsels
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: weten van kikken noch mikken
nergens van weten
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

mikken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord mik

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bron: Tijdschrift: De Gids.
    P.N. van Kampen & zoon, Amsterdam 1897