doelgericht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • doel·ge·richt
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doelgericht doelgerichter doelgerichtst
verbogen doelgerichte doelgerichtere doelgerichtste
partitief doelgerichts doelgerichters -

Bijvoeglijk naamwoord

doelgericht [1]

  1. van een actie dat men er een duidelijk doel mee wil en kan bereiken
    • In de pilot, ontwikkeld in de VS, traint Alphen 25 ambtenaren om anders om te gaan met hulpvragen. Zeg, een ambtenaar ontdekt dat iemand met schulden zijn kinderopvangtoeslag opnieuw moet aanvragen. Die ambtenaar stuurt die inwoner niet langer naar huis met de simpele opdracht dat te regelen, zegt Nadja Jungmann, lector armoede en schulden aan de Hogeschool Utrecht en adviseur bij de Alphense pilot. „Voor veel mensen is het uitvoeren van zo’n opdracht namelijk helemaal niet simpel. Het vergt doorzettingsvermogen, en het vermogen vooruit te denken. Chronische stress maakt juist apathisch, en minder doelgericht. Stel, je hebt geen computer en geen DigiD. Grote kans dat je afhaakt voordat je de toeslag hebt aangevraagd.” En dus gaat de Alphense ambtenaar met die inwoner de opdracht opknippen in tussenstappen. Heeft u een computer? Zo nee, bij welke buurman kunt u terecht? Weet u wanneer hij thuis is? Heeft u geen DigiD? Daarvoor heeft u uw BSN-nummer nodig. Weet u waar u die vindt? Jungmann: „De dienstverlening is zo ingericht dat die compenseert voor wat je tekortkomt als gevolg van de chronische stress.”[2] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen