fond

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fond
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fond fonds
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

fond m / o [2]

  1. achtergrond, met name van bekleding, behang, op een schilderij of afbeelding etc.
  2. grond
  3. (voeding) (kookkunst) een gekruide bouillon die men als saus kan gebruiken of als toevoeging aan ragout
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

fond m

  1. fonds
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
  • akumulačný fond
  • dôchodkový fond
  • finančný fond
  • investičný fond
  • likvidačný fond
  • mzdový fond
  • nedeliteľný fond
  • neosobný fond
  • peňažný fond
  • privatizačný fond
  • rezervný fond
  • sociálny fond
  • študijný fond
  • zabezpečovací fond


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • fond

Zelfstandig naamwoord

fond monbezield

  1. fonds; een voor een bepaald doel vastgelegd kapitaal
  2. fonds; vereniging die dat kapitaal vergaart en beheert
  3. bestand; een verzameling objecten van dezelfde soort of type
    «Škola získala univerzitní práva, vzrůstal počet posluchačů a rozšiřoval se také knihovní fond
    De school heeft universiteitsrechten verkregen, het aantal toehoorders is gegroeid en het boekenbestand is ook uitgebreid.
Verbuiging
Synoniemen
  1. nadace v
  2. základ monbezield
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie