flauwekul

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flau·we·kul
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kletspraat’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1989 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord flauwekul -
verkleinwoord flauwekulletje flauwekulletjes

Zelfstandig naamwoord

flauwekul m

  1. (informeel) onzin
    • Als ze nu eens zouden beginnen al die administratieve flauwekul af te schaffen voor het onderwijzend personeel, zou er dan niet minder stress zijn bij die mensen? [2] 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen