zever

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ver
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kwijl’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
  • afgeleid van zeef (stam van het werkwoord zeven) met het achtervoegsel -er [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord zever zevers
verkleinwoord zevertje zevertjes

Zelfstandig naamwoord

zever m

  1. iemand die schier eindeloos over onbelangrijke details blijft praten, een zeurpiet [3]
    • Ik krijg echt die kriebels van die zever! 
  2. speeksel, kwijl [4]
  3. flauwekul, kletspraat
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zeveren

zever

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
    • Ik zever. 
  2. gebiedende wijs van zeveren
    • Zever! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zeveren
    • Zever je? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen