uitgeput

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·ge·put
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
uitputten

uitgeput

  1. voltooid deelwoord van uitputten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen uitgeput uitgeputter uitgeputst
verbogen uitgeputte uitgeputtere uitgeputste
partitief uitgeputs uitgeputters -

Bijvoeglijk naamwoord

uitgeput

  1. dodelijk vermoeid
    • De uitgeputte drenkeling werd nog net op tijd uit het water gehaald. 
  2. dusdanig leeggehaald dat er niets overblijft
    • De uitgeputte goudmijn was al jaren gesloten, maar door nieuwe technologie werd het mogelijk het afval opnieuw te gaan bewerken. 
Vertalingen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.