flauwiteit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flau·wi·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord flauwiteit flauwiteiten
verkleinwoord flauwiteitje flauwiteitjes

Zelfstandig naamwoord

flauwiteit v

  1. iets flauws, pietluttigs of onbenulligs
    • Ik weet het, weer een flauwiteit, maar soms kan ik dat gewoonweg niet laten. 
  2. een flauwe grap
Synoniemen

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.