Naar inhoud springen

flou

Uit WikiWoordenboek
  • flou
stellend
onverbogen flou
verbogen

flou

  1. vervloeiend, zacht, vaag
  2. flou artistique: dichterlijke vrijheid; vaagheid
     'Dit kan toch helemaal niet?', aldus De Witte. 'Hema verandert gaandeweg de voorwaarden van zijn voorstel, zonder ons daarover in te lichten. Bovendien stemt hun uiteindelijke voorstel niet overeen met de teneur van hun persbericht. En dan die flou artistique over hun hoofddoekenverbod... Schrijf maar op: ik ben not amused.'[2]
10 %van de Nederlanders;
69 %van de Vlamingen.[3]
  1. flou op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron
    Sue Somers
    “HEMA: hoofddoek mag tóch, maar alleen in magazijn” (12-03-2011), Tubantia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • geattesteerd in de 13de eeuw in de betekenis "ongecultiveerd, verlaten" en ook "vermoeid, uitgeput", in de 17de eeuw als "tederheid, zachtheid van een schilderij", om in de 19de eeuw de huidige betekenis te krijgen; van Latijn flavus "geel", maar ook "verdord" [1]
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   flou flous
  vrouwelijk   floue floues

flou

  1. flou; vaag; vervloeiend
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  flou     le flou     flous     les flous  

flou m

  1. vaagheid; onscherpte (bv. in foto's)