flauwerik

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flau·we·rik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord flauwerik flauweriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

flauwerik m

  1. iemand die slap is; iemand die niet sterk is; iemand die flauwe grapjes maakt; iemand die iets verklapt
    • David Caprino, al vier jaar uitstekend functionerend in de computersoftware-business, weet nog niet wat hem boven het hoofd hangt als er een Boeing uit Amsterdam naar het eiland komt. Henry Menckeberg, flauwerik, verklapt het vast: in dat vliegtuig zitten de Hollandse zakenmannen die de Surinamer een pootje komen lichten.[1] 
    • Voor de flauweriken is het natuurlijk leuk om ook even de families Poepjes, Pannekoek of Naaktgeboren op te zoeken.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen