effenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
effenen
effende
geëffend
zwak -d volledig

Werkwoord

effenen

  1. overgankelijk gelijk of vlak maken
    • Hij effende de weg voor zijn opvolger. 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be