effenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ef·fe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
effenen
effende
geëffend
zwak -d volledig

Werkwoord

effenen

  1. overgankelijk gelijk of vlak maken
    Hij effende de weg voor zijn opvolger.
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.