donderpreek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • don·der·preek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord donderpreek donderpreken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donderpreek v/m

  1. felle, strenge, onvriendelijke toespraak om iemand de les te lezen en waarop soms een straf volgt
    • Abraham Kuyper was tegen de integratie van gereformeerden met andere bevolkingsgroepen - ‘soevereiniteit in eigen kring’ - en dus meden wij met name katholieken. Dat waren ongelovigen die het verdienden om te branden in de hel. Verder kon de waarheid alleen worden gevonden in de Koran, nee, de Bijbel, en omdat kinderen in die waarheid dienden te worden opgevoed, las mijn vader - Gods plaatsvervanger op aarde - ons daar tweemaal daags na het eten uit voor. Ook op school werden we uit de Bijbel voorgelezen en elke week leerden we nieuwe psalmen uit ons hoofd. ’s Zondags stortte de dominee in zijn zwarte toga, de armen dreigend geheven, zijn donderpreken over ons uit.[1] 
    • Cd-recensie: Magma is rockende donderpreek: In de niet-extreme metal is de Franse band Gojira de laatste jaren de blikvanger. Gojira maakt donkere maar progressieve postrock en metal, die ook nog eens ergens over gaat. De band, afkomstig uit Bayonne (in Frans Baskenland), zingt bij voorkeur over de roofbouw die de mens pleegt op de natuur en daar bouwen de mannen geen al te vrolijke liedjes omheen.[2]  
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Jannetje Koelewijn 23 april 2017
  2. Volkskrant Robert van Gijssel 27 maart 2017