grom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grom
enkelvoud meervoud
naamwoord grom grommen
verkleinwoord grommetje grommetjes

Zelfstandig naamwoord

grom m [1]

  1. grommend geluid, meestal geen teken van tevredenheid [2]
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
grommen

grom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
    • Ik grom. 
  2. gebiedende wijs van grommen
    • Grom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grommen
    • Grom je? 

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal