dogma

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dog·ma
enkelvoud meervoud
naamwoord dogma dogma's, dogmata
verkleinwoord dogmaatje dogmaatjes

Zelfstandig naamwoord

dogma o

  1. (religie) een vastomlijnd geloofsartikel dat aan geen beredenering meer is onderworpen
    Hij hield zich vast aan een dogma.
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

dogma v

  1. (religie) dogma
Typische woordcombinaties
  • cirkevná dogma
  • teologická dogma
Verwante begrippen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • dog·ma
enkelvoud meervoud
dogma dogmas

Zelfstandig naamwoord

dogma m

  1. (religie) dogma
Verwijzingen


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /dɔgma/
Woordafbreking
  • dog·ma
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn

Zelfstandig naamwoord

dogma o

  1. dogma
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen