trans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: trans-


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trans
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trans transen
verkleinwoord transje transjes

Zelfstandig naamwoord

[A] trans m

  1. (bouwkunde) omgang op de top van een toren
    • De boogschutters stonden gereed op de trans. 
enkelvoud meervoud
naamwoord trans transen
verkleinwoord transje transjes

Zelfstandig naamwoord

[B] trans m

  1. (lhbt) iemand met een geslachtelijke identiteit die verschilt van de biologische sekse bij geboorte
Hyponiemen
Antoniemen
stellend
onverbogen trans
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

[C] trans

  1. (scheikunde) aan de andere kant van het centrale atoom of de dubbele binding (binnen een molecuul)
    • Deze dubbele binding is niet cis maar trans. 

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie


Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

trans

  1. (spreektaal) transseksueel
    «Cet artiste trans a raconté son parcours sur France 2.»
    Die transsexuele artiest heeft op France 2 over zijn carrière verteld. [4]

Verwijzingen

  1. trans op website: Etymologiebank.nl
  2. Boon, Ton den & Rudi Hendrickx (red.), Van Dale: Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 15e druk, 3 delen, Utrecht/Antwerpen: Van Dale Uitgevers, 2015; ISBN 9789460772221; p. 4045 kol. 1
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be
  4. Wouw, Berry van de, Woordenboek populair Frans - Nederlands. Woordenboek van het Frans dat u op school nooit leerde, 2e druk, Breda: Uitgeverij Arti-Choc, 2014; p. 205


Latijn

Voorzetsel

trăns + accusatief

  1. aan de andere kant van, over
    «Trans Padum.»
    Aan de overkant van de Po.
  2. naar de andere kant van, over
Synoniemen
Antoniemen