Naar inhoud springen

trans

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: trans-
  • trans
enkelvoud meervoud
naamwoord trans transen
verkleinwoord transje transjes

[A]detransm

  1. (bouwkunde) omgang op de top van een toren
    • De boogschutters stonden gereed op de trans. 
enkelvoud meervoud
naamwoord trans transen
verkleinwoord transje transjes

[B]detransm

  1. (lhbt) iemand met een geslachtelijke identiteit die verschilt van de biologische sekse bij geboorte
stellend
onverbogen trans
verbogen -

[C] trans

  1. (scheikunde) aan de andere kant van het centrale atoom of de dubbele binding (binnen een molecuul)
    • Deze dubbele binding is niet cis maar trans. 
  2. (lhbt) een geslachtelijke identiteit hebbend die verschilt van de biologische sekse bij geboorte
87 %van de Nederlanders;
76 %van de Vlamingen.[3]
  1. trans op website: Etymologiebank.nl
  2. Boon, Ton den & Rudi Hendrickx
    (red.), Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (2015) 15e druk, Van Dale Uitgevers, Utrecht/Antwerpen ISBN 9789460772221; p. 4045 kol. 1
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

trans

  1. (spreektaal) transseksueel
    «Cet artiste trans a raconté son parcours sur France 2.»
    Die transsexuele artiest heeft op France 2 over zijn carrière verteld. [1]

trăns + accusatief

  1. aan de andere kant van, over
    «Trans Padum.»
    Aan de overkant van de Po.
  2. naar de andere kant van, over