nijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nijd
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘jaloezie, woede’ voor het eerst aangetroffen in 1100 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nijd
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nijd m

  1. grondige afkeer van iemand en het misgunnen van zijn bezit
    • Er heerstte alleen maar haat en nijd. 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen