wrevel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wre·vel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘misnoegen’ voor het eerst aangetroffen in 1573 [1]
  • afgeleid van het Engelse evil en het Nederlandse euvel [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord wrevel wrevels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wrevel m [3]

  1. het boos, geprikkeld en geërgerd zijn
    • In de Amsterdamse gemeenteraad is wrevel ontstaan over het ‘Flying Squad’-team van de gemeente. In het team zitten ambtenaren die Amsterdammers stimuleren zo veel mogelijk armoederegelingen aan te vragen.[4] 
    • Carters eerdere commentaren over Noord-Korea veroorzaakten wrevel in het Witte Huis, die hem vorige maand verzocht zou hebben niet meer over de kwestie te spreken omdat dat Donald Trump zou ondermijnen. Carters zoektocht naar vrede rijmt niet met de harde opstelling van Trump, die meer sancties wil tegen Pyongyang en dreigt met militair ingrijpen.[5] 
    • Ook de manier waarop Van Breukelen het bedrijf van zijn vriend Rini Stoutjesdijk binnenloodste in Zeist wekte wrevel. Nederlandse en buitenlandse topclubs (Ajax, PSV, Arsenal en FC Groningen) reageerden woest toen duidelijk werd dat BTSW ongeoorloofd gebruik maakte van hun naam en logo’s op het gebied van coaching en psychologische hulpverlening.[6] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen