skateboard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • skate·board
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘schaatsplank’ voor het eerst aangetroffen in 1984 [1]
  • van het Engels samenstelling van  skate   en  board   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord skateboard skateboards
verkleinwoord (skateboardje) (skateboardjes)

Zelfstandig naamwoord

skateboard o

  1. schaatsplank op vier wieltjes
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
skateboarden

skateboard

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skateboarden
    • Ik skateboard. 
  2. gebiedende wijs van skateboarden
    • Skateboard! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skateboarden
    • Skateboard je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen