snowboard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • snow·board
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord snowboard snowboards
snowboarden
verkleinwoord snowboardje snowboardjes

Zelfstandig naamwoord

snowboard o

  1. een soort skiplank
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
snowboarden

snowboard

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snowboarden
    • Ik snowboard. 
  2. gebiedende wijs van snowboarden
    • Snowboard! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van snowboarden
    • Snowboard je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
snowboard snowboards

Zelfstandig naamwoord

snowboard

  1. snowboard


Frans

Zelfstandig naamwoord

snowboard m

  1. snowboard


Italiaans

Zelfstandig naamwoord

snowboard m

  1. snowboard


Spaans

Zelfstandig naamwoord

snowboard m

  1. snowboard