blowen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blo·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blowen
blowde
geblowd
zwak -d volledig

Werkwoord

blowen

  1. inergatief een joint roken
    • Hij blowt om de door multiple sclerose veroorzaakte pijn te verlichten. 
  2. het verwijderen van overtollige bladeren door middel van een blaasapparaat
Verwante begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie