bloeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Magnolia die begint te bloeien
Uitspraak
Woordafbreking
  • bloei·en
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘in bloei staan’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bloeien
bloeide
gebloeid
zwak -d volledig

Werkwoord

bloeien

  1. inergatief het dragen van open, actieve bloeiwijzen
    • - Als alle bloembollen bloeien, komen daar veel toeristen op af. 
    • - Is dit de zwaarste tijd voor hooikoortspatiënten? Dat hangt er maar net vanaf voor welk soort stuifmeel iemand gevoelig is. Verschillende plantensoorten bloeien in verschillende periodes, eigenlijk het hele jaar door. Het weer, en dan vooral de temperatuur, is van grote invloed op de precieze timing.[3] 
  2. inergatief overdrachtelijk het bijzonder goed maken
    • - Onder deze koning bloeide de handel en de nijverheid en heerste er welvaart en tevredenheid. 
    • - Ook de Friese instelling Alliade kwam onlangs in opspraak omdat directeuren opdrachten verstrekten aan hun eigen, of aan bevriende ondernemingen. Dat werpt de vraag op of dit wel uitzonderingen zijn, of dat er sprake is van een wijdverbreide praktijk waarin een verkeerde mentaliteit gelegenheid kreeg om te bloeien.[4] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Sander Voormolen NRC 3 juni 2016
  4. NRC 3 juni 2016