bloei

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een magnolia in bloei.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloei
enkelvoud meervoud
naamwoord bloei -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bloei m

  1. (plantkunde) het bloeien van boom of plant
    In augustus hebben de paardenbloemen een tweede bloei.
  2. (figuurlijk) een toestand waarin iemand of iets op zijn best is
    In de middeleeuwen kwam de stad tot bloei.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

In de bloei van zijn leven.

  • Als iemand op zijn best is.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bloeien

bloei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
    Ik bloei.
  2. gebiedende wijs van bloeien
    Bloei!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
    Bloei je?

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
bloei
gebloei
volledig

Werkwoord

bloei

  1. bloeien
  2. bloeden