bloei

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een magnolia in bloei.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloei
enkelvoud meervoud
naamwoord bloei -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bloei m

  1. (plantkunde) het bloeien van boom of plant
    - In augustus hebben de paardenbloemen een tweede bloei.
    - Nee, het pluis is afkomstig van populieren en komt pas vrij na de bloei van deze bomen.[1]
  2. (figuurlijk) een toestand waarin iemand of iets op zijn best is, bloeitijd
    - In de middeleeuwen kwam de stad tot bloei.
    - „Onder overheidsaandeelhoudersschap kan het bedrijf niet echt tot bloei komen.”[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

In de bloei van zijn leven.

  • Als iemand op zijn best is.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bloeien

bloei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
    Ik bloei.
  2. gebiedende wijs van bloeien
    Bloei!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bloeien
    Bloei je?

Meer informatie


Afrikaans

stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
bloei
gebloei
volledig

Werkwoord

bloei

  1. bloeien
  2. bloeden
Verwijzingen
  1. Sander Voormolen NRC 3 juni 2016
  2. NRC 30 april 2016