eikel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Verouderde verkleinvorm van eik met het achtervoegsel -el.
enkelvoud meervoud
naamwoord eikel eikels
verkleinwoord eikeltje eikeltjes

Zelfstandig naamwoord

eikel m

  1. vrucht van de eikenboom
    De eikels lagen voor het oprapen.
  2. top van de penis
    Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken.
  3. (scheldwoord), (jongerentaal) nietsnut, kluns; vervelende vent
    Stomme eikel!
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eikelen

eikel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    Ik eikel.
  2. gebiedende wijs van eikelen
    Eikel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    Eikel je?

Meer informatie