eikel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ei·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] van Middelnederlands eikel, verkleinvorm van eik met het achtervoegsel -el, in de betekenis van ‘vrucht van de eikenboom’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1][2]
  • [2] omdat de vorm doet denken aan de vrucht van een eikenboom
  • [3] verwijzing naar het mannelijk geslachtsdeel
enkelvoud meervoud
naamwoord eikel eikels
verkleinwoord eikeltje eikeltjes

Zelfstandig naamwoord

eikel m

  1. (plantkunde) vrucht van de eikenboom
    • De eikels lagen voor het oprapen. 
  2. (medisch) top van de penis
    • Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken. 
  3. (scheldwoord), (jongerentaal) nietsnut, kluns; vervelende vent
    • Stomme eikel! 
    ⚠️ Dit gebruik van het woord roept twijfels op over de gebruiker.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
eikelen

eikel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    • Ik eikel. 
  2. gebiedende wijs van eikelen
    • Eikel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eikelen
    • Eikel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen