afhandelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
afhandelen afgehandeld
afhandeling
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·han·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afhandelen
handelde af
afgehandeld
zwak -d volledig

Werkwoord

afhandelen

  1. overgankelijk regelen zodat het tot een einde komt
    • Gelukkig kon de bank de lening afhandelen en hoefden we niet opnieuw langs. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.