afdoening

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·doe·ning
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afdoening afdoeningen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afdoening v [1]

  1. iets afmaken, iets volbrengen
  2. een schuld afbetalen
Synoniemen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen