uittrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uittrekken
trok uit
uitgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

uittrekken

  1. overgankelijk van je lichaam af halen, kleding afleggen
    • Hij had zijn jas uitgetrokken. 
     Er viel as van mijn sigaret op mijn pantalon terwijl ik de naam van die stad uitsprak. Hij had het gezien en voordat ik kon protesteren, had hij een van zijn witte handschoenen uitgetrokken en wijdde hij zich met volledige aandacht aan het werkje om mijn broekspijp daarmee af te kloppen. Hij had magere, donkere handen.[1]
  2. overgankelijk uit iets anders trekken
    • Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken. 
  3. overgankelijk een kort overzicht maken van
    • Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken. 
  4. overgankelijk er tijd of geld voor beschikbaar stellen
    • Er werd een week voor uitgetrokken. 
  5. overgankelijk lostrekken, wegtrekken
  6. ergatief weggaan uit
    • Ze waren dat land uitgetrokken. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 12