uittrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uittrekken
trok uit
uitgetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

uittrekken

  1. overgankelijk van je lichaam af halen, kleding afleggen
    • Hij had zijn jas uitgetrokken. 
  2. overgankelijk uit iets anders trekken
    • Om die splinter uit te trekken kun je beter een pincet gebruiken. 
  3. overgankelijk een kort overzicht maken van
    • Hij had voor zijn examen een hele reeks boeken uitgetrokken. 
  4. overgankelijk er tijd of geld voor beschikbaar stellen
    • Er werd een week voor uitgetrokken. 
  5. overgankelijk lostrekken, wegtrekken
  6. ergatief weggaan uit
    • Ze waren dat land uitgetrokken. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.