achteruit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: achterruit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·uit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achteruit
verkleinwoord achteruitje achteruitjes

Zelfstandig naamwoord

achteruit m

  1. (techniek) een versnelling die een mechaniek in achterwaartse richting doet teruglopen
    • Als je hem in z'n achteruit wilt zetten moet je de pook naar beneden drukken. 

Bijwoord

achteruit

  1. naar achteren gericht, in achterwaartse richting
    • Hij moest door de achterruit kijken doen hij met zijn auto achteruit reed. 
     Plotseling verstijfde ik. Midden op het pad lag een reusachtige ratelslang te zonnen, de koningin van de woestijn. Ik schrok me kapot en sprong meteen achteruit.[2]
  2. in ongunstige richting.
    • De zieke patiënt ging ineens snel achteruit en was de volgende dag overleden. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. achteruit op website: Etymologiebank.nl
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be