opat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·at

Werkwoord

vervoeging van
opeten

opat

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van opeten
    • ... dat ik opat. 
    • ... dat jij opat. 
    • ... dat hij, zij, het opat. 


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

opat m bezield

  1. (religie) abt
Verwante begrippen