belasten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·las·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van last met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belasten
belastte
belast
zwak -t volledig

Werkwoord

belasten

  1. overgankelijk gewichten plaatsen op
    • Jullie hebben de auto te veel belast. 
     De derde tree van boven die kraakte, een bobbel in het tapijt van de overloop die een vreemd geluid maakte als je er met je volle gewicht op ging staan, het middenstuk van de trapleuning dat piepte als je het te veel belastte.[1]
  2. overgankelijk als prestatie vergen
    • De server werd een lange tijd te zwaar belast, waardoor hij uitviel. 
  3. overgankelijk opdracht geven tot
    • Belast die man toch niet met zoveel taken! 
  4. overgankelijk iets bezwaren met een verplichting bijv. belasting heffen op
    • Dit huis is met een hypotheek belast. 
  5. wederkerend zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    • Hij belast zich met erg veel functies binnen dat bedrijf. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be