belasten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·las·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van last met het voorvoegsel be- met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
belasten
belastte
belast
zwak -t volledig

Werkwoord

belasten

  1. overgankelijk gewichten plaatsen op
    • Jullie hebben de auto te veel belast. 
  2. overgankelijk als prestatie vergen
    • De server werd een lange tijd te zwaar belast, waardoor hij uitviel. 
  3. overgankelijk opdracht geven tot
    • Belast die man toch niet met zoveel taken! 
  4. overgankelijk iets bezwaren met een verplichting bijv. belasting heffen op
    • Dit huis is met een hypotheek belast. 
  5. wederkerend zich ~ met: de verantwoordelijkheid of uitvoering van iets op zich nemen
    • Hij belast zich met erg veel functies binnen dat bedrijf. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.