aangepast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ge·past
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
aanpassen

aangepast

  1. voltooid deelwoord van aanpassen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aangepast aangepaster (aangepastst) *
verbogen aangepaste aangepastere (aangepastste) *
partitief aangepasts aangepasters -

Bijvoeglijk naamwoord

aangepast

  1. geschikt gemaakt
    • „In het aangepaste plan zijn we met de vereniging overeengekomen dat de bestaande buitenmanege wordt uitgebreid en ingepast in de glooiende Rijssense Es”, zegt wethouder Roland Cornelissen. [1] 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest aangepast(e)" worden gebruikt.[2][3]
Spreekwoorden

aangepaste woonruimte

  • woning die berekend is op personen met een handicap

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen