Fisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Fisch
enkelvoud meervoud
nominatief der Fisch die Fische
genitief des Fisches
des Fischs
der Fische
datief dem Fisch den Fischen
accusatief den Fisch die Fische

Zelfstandig naamwoord

Fisch, m

  1. (vissen) vis

Vissen ademen door hun kieuwen en hebben meestal een schilferige huid.#:*Fische atmen mit Kiemen und haben meist eine schuppige Haut. 

  1. (voeding) het vlees van de vis
  2. (astrologie) iemand die geboren is onder het astrologische teken van de Vissen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • Fisch
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Duitse woord  Fisch zn , dat van het Middelhoogduitse woord  visch zn  en dat weer van het Oudhoogduitse woord  fisc zn  komt
  enkelvoud
nominatief   Fisch  
genitief   - - -  

Eigennaam

Fisch, m

  1. (astrologie) Vissen
Opmerkingen
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Fisch der Fisch Fisch
Fische
de Fisch
die Fische
datief me Fisch em Fisch Fisch
Fische
de Fisch
de Fische
accusatief en Fisch der Fisch Fisch
Fische
die Fisch
die Fische

Zelfstandig naamwoord

Fisch, m

  1. (vissen) Pesces op Wikispecies, vis
Spreekwoorden
  • [1]: Fisch un Bsucher schtinke in drei Daage.
Gasten en vis blijven maar drie dagen fris. (letterlijk: Vissen en bezoekers stinken in drie dagen.)
Opmerkingen