Zwilling
Uiterlijk
- Zwil·ling
- Afkomstig van het Duitse zelfstandige naamwoord Zwilling zn ← Middelhoogduits: zwinlein zn ← Latijn: geminus zn
| enkelvoud (onbepaald) |
enkelvoud (bepaald) |
meervoud (onbepaald) |
meervoud (bepaald) | |
|---|---|---|---|---|
| nominatief | - - - | der Zwilling | - - - | - - - |
| datief | - - - | em Zwilling | - - - | - - - |
| accusatief | - - - | der Zwilling | - - - | - - - |
Zwilling, m
- (sterrenbeeld) het sterrenbeeld Tweelingen
- (astrologie) teken van de dierenriem Tweelingen (21 mei tot 21 juni)
- Zwilling (Dierkrees)
Tweelingen (Dierenriem)
| Dierkrees | |||||||||||
Widder |
Schtier |
Zwilling |
Grebs |
Leeb |
Blummefraa |
Wog |
Skorpion |
Schitz |
Schteebock |
Wassermann |
Fisch |
Categorieën:
- Woorden in het Pennsylvania-Duits
- Woorden in het Pennsylvania-Duits van lengte 8
- Woorden in het Pennsylvania-Duits met audioweergave
- Woorden in het Pennsylvania-Duits met IPA-weergave
- Pennsylvania-Duitse woorden naar herkomst uit het Duits
- Pennsylvania-Duitse woorden naar herkomst uit het Middelhoogduits
- Pennsylvania-Duitse woorden naar herkomst uit het Latijn
- Eigennaam in het Pennsylvania-Duits
- Sterrenbeeld in het Pennsylvania-Duits
- Astrologie in het Pennsylvania-Duits