onbepaald

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·be·paald
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onbepaald onbepaalder onbepaaldst
verbogen onbepaalde onbepaaldere onbepaaldste
partitief onbepaalds onbepaalders -

Bijvoeglijk naamwoord

onbepaald

  1. zonder grenzen
  2. niet precies vastgesteld
  3. het is niet duidelijk om wie of wat het gaat
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be