zien
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zien
Woordherkomst en -opbouw
|
|
|
|
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| zien |
zag |
gezien |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
zien
- (overgankelijk) waarnemen met het oog
- Ik kan die afbeelding van zo'n afstand niet goed zien.
- (inergatief) het vermogen hebben om met het oog waar te nemen
- Hij was dolblij dat hij na het ernstige ongeluk toch nog kon zien.
- een bepaald gezicht zetten/trekken
- Hij zag erg boos.
- (wederkerend) (hulpwerkwoord) zich + volt. deelwoord + ~: maakt een wederkerende constructie
- De stad zag zich overspoeld met enthousiaste aanhangers van beide clubs.
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- blauw zien (van de koude)
het heel koud hebben
- iets over het hoofd zien
Vertalingen
1. waarnemen met het oog
2. het vermogen waar te nemen