ziener

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ziener zieners
verkleinwoord zienertje zienertjes

Zelfstandig naamwoord

ziener m

  1. iemand die visioenen heeft, iemand die zegt in de toekomst te kunnen kijken
    Wat zich voor het oog van de ziener Johannes openbaart in het beeld van de glazen zee verscheen voor de poëtische blik van Novalis als de stad van Arktur.[1]
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Verwijzingen
  1. Bock, E; L. Mirandolle en R. Hansen (1989). De Apocalypse: de tekenen des tijds in de Openbaring van Johannes, p. 60. Uitg.: Christofoor, ISBN 9789062383337.

Meer informatie