zicht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zicht
Woordherkomst en -opbouw
1 enkelvoud meervoud
naamwoord zicht -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zicht

  1. o de afstand die je kunt kijken door de lucht [1]
    Vanaf het balkon hebben we vrij zicht op het haventerrein.
  2. gezichtsvermogen
  3. v/m (landbouw), (gereedschap) kleine zeis [2]
    Gras maait men met de zeis, haver met een zicht.
2 enkelvoud meervoud
naamwoord zicht zichten
verkleinwoord - -
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zichten

zicht

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zichten
  2. gebiedende wijs van zichten

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl