zicht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- zicht
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van zien (met het achtervoegsel -t).
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | zicht | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
zicht
- o de afstand die je kunt kijken door de lucht
- Vanaf het balkon hebben we vrij zicht op het haventerrein.
- v/m (landbouw), (gereedschap) kleine zeis
- Gras maait men met de zeis, haver met een zicht.
| 2 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | zicht | zichten |
| verkleinwoord | - | - |
Synoniemen
- [1] uitzicht
Afgeleide begrippen
- [1] gezicht, gezichtshoek, gezichtsveld, gezichtsvermogen, inzicht, opzicht, tunnelzicht, uitzicht
- [2] bouwzicht, plakzicht
Verwante begrippen
Vertalingen
1. wat gezien kan worden
2. kleine zeis
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zichten |
zicht