rund

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een rund voor een kudde runderen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rund
enkelvoud meervoud
naamwoord rund runderen
verkleinwoord rundje rundjes

Zelfstandig naamwoord

rund o

  1. (biologie) (veeteelt) een holhoornig en herkauwend zoogdier dat vaak gehouden wordt voor zijn melk en vlees of als trekdier
    De runderen werden allemaal tegelijk gevoed.
  2. (informeel) een dom en onhandig iemand
    Je bent een rund als je met vuurwerk stunt!
Gelijkklinkende woorden
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Rund.
Rond.

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • rund
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Nederduits, oorspronkelijk afkomstig van de Latijnse woorden rotundus en rota.

Bijwoord

rund

  1. rond

Bijvoeglijk naamwoord

rund

  1. rond
    «En stor rund veske kan man vel alltids ha bruk for.»
    Een grote ronde tas kan men altijd wel nuttig gebruiken.
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud rund rundere rundest
o enkelvoud rundt
meervoud runde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
runde rundere rundeste


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • rund
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Nederduits, oorspronkelijk afkomstig van de Latijnse woorden rotundus en rota.

Bijwoord

rund

  1. rond

Bijvoeglijk naamwoord

rund

  1. rond
Verbuiging
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud rund rundare rundast
o enkelvoud rundt
meervoud runde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
runde rundare rundaste


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • rund
stellend vergrotend overtreffend
rund
rundare
rundast

Bijvoeglijk naamwoord

rund

  1. rond
Antoniemen
Afgeleide begrippen