reizen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: rijzen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reisde
gereisd
zwak -d volledig

Werkwoord

reizen

  1. onderweg zijn
    Wij reizen' geregeld naar Canada.
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

reizen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord reis


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • rei·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse werkwoord reizen, dat van het Oudhoogduitse werkwoord reizzen komt
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reizen
reizte
(hat) gereizt
zwak volledig niet-samengesteld

Werkwoord

reizen

  1. (overgankelijk) ergeren, pesten, plagen, prikkelen
  2. (overgankelijk), (medisch) irriteren
  3. (overgankelijk) aanlokken, bekoren, bevallen, lokken
Synoniemen