irriteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| irriteren | irriterend |
| irritatie | geïrriteerd |
Uitspraak
Woordafbreking
- ir·ri·te·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| irriteren |
irriteerde |
geïrriteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
irriteren
- (overgankelijk) op onaangename wijze prikkelen
- Hij raakte geïrriteerd door het onophoudelijke geklaag van zijn studenten.