ergeren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| ergeren | ergerend |
| ergernis | geërgerd |
Uitspraak
Woordafbreking
- er·ge·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| ergeren |
ergerde |
geërgerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
ergeren
- (overgankelijk) gevoelens van onvrede veroorzaken
- Die onzinbots met hun absurde wijzigingen ergerden hem mateloos.
- (wederkerend) zich ~ aan gevoelens van onvrede ervaren
- Daar ergerde hij zich al lang aan.
Vaste voorzetsels
- ergeren aan
Vertalingen
1. gevoelens van onvrede veroorzaken