reis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis
enkelvoud meervoud
naamwoord reis reizen
verkleinwoord reisje reisjes

Zelfstandig naamwoord

reis v/m

  1. grote, lange tocht of trip
    Zij heeft een reis door Azië gemaakt.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
reizen

reis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    Ik reis.
  2. gebiedende wijs van reizen
    Reis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    Reis je?


Noors

Woordafbreking
  • reis
Naar frequentie 1376

Werkwoord

reis

  1. gebiedende wijs van reise


Nynorsk

Woordafbreking
  • reis

Werkwoord

reis

  1. gebiedende wijs van reisa

Werkwoord

reis

  1. gebiedende wijs van reise


Welsh

enkelvoud meervoud
reis -

Zelfstandig naamwoord

reis m

  1. rijst