reis

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reis
enkelvoud meervoud
naamwoord reis reizen
verkleinwoord reisje reisjes

Zelfstandig naamwoord

reis

  1. grote, lange tocht of trip.
    Zij heeft een reis door Azië gemaakt.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
reizen

reis

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    Ik reis.
  2. gebiedende wijs van reizen
    Reis!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reizen
    Reis je?


Welsh

enkelvoud meervoud
  reis     -  

Zelfstandig naamwoord

reis m

  1. rijst
Persoonlijke instellingen