pit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pit
enkelvoud meervoud
naamwoord pit pitten
verkleinwoord pitje pitjes

Zelfstandig naamwoord

pit v/m/o

  1. (plantkunde) (voeding) zaadhoudende kern van verschillende vruchten [1]
  2. lont van een kaars
  3. werkplaats langs een circuit voor auto- of motorsport [2]
  4. energie
    Daar zit pit in.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
pitten

pit

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pitten
    Ik pit.
  2. gebiedende wijs van pitten
    Pit!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pitten
    Pit je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl