kaars

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een kaars.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaars
enkelvoud meervoud
naamwoord kaars kaarsen
verkleinwoord kaarsje kaarsjes

Zelfstandig naamwoord

kaars v/m

  1. een staaf of klomp van brandbaar materiaal met een lont
    Vroeger had men 's nachts slechts kaarsen als verlichting.
  2. (natuurkunde), (eenheid), (verouderd) oude eenheid van lichtsterkte (de zg. normaalkaars, thans candela)
    De winkelier zei dat deze lamp een lichtsterkte heeft van 30 cd, vroeger zou men zeggen: "een lamp van 30 kaars.".
Afgeleide begrippen
Typische woordcombinaties
Vertalingen

Meer informatie