kous

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kous
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Picardische cauce, dat net als het Franse chausse ontwikkeld is uit het Latijnse calceus.
enkelvoud meervoud
naamwoord kous kousen
verkleinwoord kousje kousjes

Zelfstandig naamwoord

kous v/m

  1. (kleding) een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
    Er zit een gat in mijn kous.
  2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden

Daarmee is de kous af.

  • Daarmee is het afgelopen.

met de kous op de kop thuiskomen

  • met schade en schande van een mislukking terugkomen
Vertalingen

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.