kous
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /kʌʊ̯s/
- (Vlaanderen, Brabant): /kɔʊ̯s/
- (Limburg): /kaʊ̯s/
Woordafbreking
- kous
Woordherkomst en -opbouw
- Ontleend aan het Picardische cauce, dat net als het Franse chausse ontwikkeld is uit het Latijnse calceus.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kous | kousen |
| verkleinwoord | kousje | kousjes |
Zelfstandig naamwoord
- (kleding) een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
- Er zit een gat in mijn kous.
- een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Synoniemen
Antoniemen
- [1] sok
Hyponiemen
- [1] beenwarmer, kniekous, nylonkous
Uitdrukkingen en gezegden
Daarmee is de kous af.
- Daarmee is het afgelopen.
met de kous op de kop thuiskomen
- met schade en schande van een mislukking terugkomen
Vertalingen
1. een aansluitend, meer of minder elastisch kledingstuk dat de voet en (een deel van) het been bedekt
2. een hulpmiddel om een brandstof in licht om te zetten, dat deel uitmaakt van een olie- of petroleumlamp
Meer informatie
- Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.