pink

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pink
enkelvoud meervoud
naamwoord pink pinken
verkleinwoord pinkje pinkjes

Zelfstandig naamwoord

pink m

  1. (anatomie) de vijfde, kleinste en buitenste vinger
  2. (veeteelt) een éénjarig kalf dat nog alle melktanden heeft
  3. (scheepvaart) een type vissersvaartuig
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • 1
    • Daar zou ik mijn pink wel voor willen geven, willen missen
Dat zou ik erg graag willen hebben.
    • Als je hem één pink geeft, dan neemt hij de hele hand.
Hij misbruikt kleine gunsten om veel meer te doen dan toegestaan.
  • 2
    • Bij de pinken zijn
Erg pienter, bij de hand zijn.
Vertalingen


Engels

Uitspraak
stellend vergrotend overtreffend
pink pinker pinkest

Bijvoeglijk naamwoord

pink

  1. (kleur) roze


Fries

Zelfstandig naamwoord

pink g

  1. pink (vinger, vinger in handschoen, paling van middematige omvang en gebakje)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /pɪŋk/ (Etsberg)

Zelfstandig naamwoord

pink m

  1. (veeteelt) pink
Verbuiging