pinken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pin·ken

Zelfstandig naamwoord

pinken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord pink
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
pinken
pinkte
gepinkt
zwak -t volledig

Werkwoord

pinken

  1. met de pink verwijderen
    Ontroerd pinkte zij een traantje weg.
  2. knipperen van een lichtje
    Het pinken van dit lampje wil zeggen dat de accu bijna leeg is.
  3. (verouderd) knippen met de ogen
    Met pinkende oogjes keek Jaapje om zich heen.[1]
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. Looy, J. van Jaapje (1917) S.L. van Looy, Amsterdam; p. 205; geraadpleegd 2014-06-01