knot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knot
enkelvoud meervoud
naamwoord knot knotten
verkleinwoord knotje knotjes

Zelfstandig naamwoord

knot v/m

  1. rond zichzelf opgewonden draad of bundel draden, vezels of haar
    Mijn oma droeg haar prachtige haar, dat langer was dan zijzelf, altijd op een knot.
  2. (vogels) kanoetstrandloper


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
knot knots

Zelfstandig naamwoord

knot

  1. knoop
  2. (vogels) kanoetstrandloper